Zaterdag 22 december: eerste dag met slecht weer

We laten het pakijs achter ons en gaan nu om het uur een halfuur tellen. Eerst zijn het nog dezelfde vogelsoorten, maar beetje per beetje zien we de blauwe stormvogel, de Kerguelen-stormvogel, de Antarctische prion, de roetkopalbatros, terwijl de sneeuwstormvogel en de Antarctische stormvogel wegblijven. Eindelijk een dag waarom we meer dan tien vogelsoorten zien!

De tellingen gebeuren niet in ideale omstandigheden: het is overtrokken, nevelig en soms ronduit dikke mist. Geleidelijk aan trekt de mist op, maar het begint te waaien. Dat wordt een flinke depressie! De wind haalt snelheden van zeven tot acht beaufort, maar gelukkig zijn er nog ijsvelden die de kracht van de golven temmen. Op een ijsschots bemerk ik een tweekleurige zeehond, met een stevige muil en een heel lichte onderkant, een zeeluipaard, de laatste Antarctische soort van ons verlanglijstje. ’s Avonds meldt de kapitein dat we in een 250 mijl breed lagedrukgebied terechtkomen.

Geen opmerkingen: