Om tien uur zorgen de spuitwolken van walvissen in de verte voor beroering. Eén walvis springt helemaal boven de waterspiegel uit. Het zijn zeker bultruggen, die zich liever laten zien dan andere grote walvissen. Ik verwittig iedereen op de boot en alras speuren we met zes of zeven mensen de horizon af. Er zijn één jonge en twee volwassen dieren, waarvan één nog eens een sprong waagt. Wanneer zo’n dier met zijn 25 tot 30 ton een buiklanding maakt, horen we een krachtige ‘ploef’! Ze komen op 800 meter van de Papanin, ze duiken en zijn dan weg. Het zijn onze laatste beelden van de mariene fauna vóór we in Kaapstad aankomen.
Vrijdag 28 december: bultruggen, treilers en Kaapstad
Donderdag 27 december: de subantarctische / subtropische convergentie
Ook soorten uit ons land, zoals de kleinste jager en Kuhls pijlstormvogel, lijken in dit gebied te overwinteren en we zijn onder de indruk van het aantal vogels dat we van die soorten tegenkomen. Als onze tocht door dit gebied een representatieve doorsnede vormt, dan is dit hun belangrijkste overwinteringgebied. Misschien is dat niet duidelijk vastgesteld en moeten we het in de literatuur nakijken. Morgen is het de laatste dag van onze oversteek…
Woensdag 26 december: weer soortenrijkdom en enkele walvissen
Vandaag nemen we twintig vogelsoorten waar. Interessant is dat het schip bijna altijd reuzenalbatrossen in zijn zog heeft; soms zijn er wel zes van diverse leeftijd. We zien in het totaal zes albatrossoorten en ook drie soorten pijlstormvogels, waaronder de eerste grote pijlstormvogel van onze reis, tevens de eerste nieuwe vogelsoort sedert enkele weken.
Er zijn eveneens veel Pterodroma, in hoofdzaak donsstormvogels. Bij de twee- tot driehonderd exemplaren die we zien, zijn er drie van de donkere vorm. Deze vorm is bekend, maar staat in de literatuur als heel zeldzaam geboekstaafd. Nu is één op de honderd individuen niet zeldzaam. Het zou de moeite lonen uit te zoeken waar deze donsstormvogels nestelen en dan na te gaan of er in deze kolonies verhoudingsgewijs niet meer donkere individuen zijn dan elders, wat taxonomisch betekenisvol zou kunnen zijn. Er vertonen zich vandaag niet veel zoogdieren, maar laat op de middag zien we drie walvissen hun ademwolk spuiten. Ze duiken dicht bij de Papanin op en met behulp van foto’s identificeren we ze als Noordse vinvissen (deze soort is nieuw voor mij).
Bij het vallen van de avond komt de Papanin in een gebied met heel veel vogels (tussen 44°15’ Z; 19°25’O en 44°00’Z 19°20’O): tientallen witkopstormvogels, honderden donsstormvogels, tientallen kleine pijlstormvogels, honderden grauwe pijlstormvogels en opnieuw prions. Er zijn ook veel albatrossen: we kunnen vandaag minstens twaalf reuzenalbatrossen, tientallen wenkbrauwalbatrossen, grijskopalbatrossen, roetkopalbatrossen op onze ‘terugvaartlijst’ schrijven. In de verte spuiten walvissen, maar we zien niet welke. Spijtig genoeg wordt het vlug donker.
Dinsdag 25 december: kerstmis op zee en in de hut
Door het slechte weer en de stevige tegenwind loopt het schip vertraging op. We zullen pas op 29 december in Kaapstad aankomen. Zelfs dát is niet zeker, want misschien krijgen we nog twee lagedrukgebieden als de voorgaande. Hoewel het statistisch haast niet kan dat we er op ons traject vier van krijgen!
Vanmiddag verlaten we ter hoogte van de 50 graden zuiderbreedte de Antarctische Oceaan en varen we de Indische Oceaan binnen. Deze overgang is gekenmerkt door nevels die ontstaan doordat het koude en het warmere water zich vermengen. We zien weer een reuzenalbatros, een wenkbrauwalbatros en een grijskopalbatros, maar, in tegenstelling tot bij de heenreis, volgen ze de boot niet. Dank zij onze ervaring en de honderden foto’s die we tijdens de heenreis namen, onderscheiden we makkelijk drie soorten prions: Antarctische prion, dunbekprion en zwartstaartprion. Op het einde van de middag waait het nog steeds, maar de storm neemt af. Ik hoop dat we de veertigste breedtegraad zorgeloos overschrijden.
Maandag 24 december: de storm luwt en steekt weer op
Maar al vlug wil de wind weer ons aangenaam gezelschap genieten. Zowel bemanning als passagiers zien er echt ziekjes uit! Tegen de avond verdubbelt de wind zijn kracht (9 beaufort). De lekkere pannenkoeken en slaatjes van onze kok vrolijken helaas de kerstsfeer weinig op.
Dinsdag 23 december: Buiten gebruik
Onze tellingen verlopen vanzelfsprekend niet bijster efficiënt. Bovendien mag er van de kapitein geen enkele passagier op het dek komen. Op het eind van de dag is er op onze ‘terugvaartlijst’ maar één vogelsoort bij: de dunbekprion. We kruisen de subtropische convergentie en het wordt warmer. Normaal komen we morgen vroeg in de avond in Kaapstad aan.
Zaterdag 22 december: eerste dag met slecht weer
De tellingen gebeuren niet in ideale omstandigheden: het is overtrokken, nevelig en soms ronduit dikke mist. Geleidelijk aan trekt de mist op, maar het begint te waaien. Dat wordt een flinke depressie! De wind haalt snelheden van zeven tot acht beaufort, maar gelukkig zijn er nog ijsvelden die de kracht van de golven temmen. Op een ijsschots bemerk ik een tweekleurige zeehond, met een stevige muil en een heel lichte onderkant, een zeeluipaard, de laatste Antarctische soort van ons verlanglijstje. ’s Avonds meldt de kapitein dat we in een 250 mijl breed lagedrukgebied terechtkomen.
Vrijdag 21 december: de langste dag
Wij komen voorbij de zones waar wij tijdens onze heenreis veel dwergvinvissen zagen. Maar ze zijn er niet meer. We zien wel drie butskoppen. Deze walvisachtigen zijn de meest waargenomen spitssnuitdolfijnen in het zuidpoolgebied. Ze hebben een dikke ronde bult op hun kop en kunnen tot 2000 meter diep duiken. Er zijn ook veel minder zeehonden dan tijdens de heenreis.
Morgen moeten we nog een hele dag op ijsdieet. Zelfs de grootste lekkerbek zou er genoeg van krijgen. Wat diëten betreft: vanmiddag staat er ‘plof’ op tafel. Dit Kazakse gerecht lijkt wat op Indiase biryani. Meestal is het eten lekkerder dan dat wij gevreesd hadden. Onze Azerbeidjaanse kok maakt ook uitstekend stoofvlees (of althans iets dat er sterk op lijkt), borsjt en dus ook plov... Ook onze eetgewoontes veranderen vandaag, want we zijn met minder passagiers. We tafelen nu met de bemanning om 7.30, 11.30, 15.30 en 19.30 uur.
Donderdag 20 december: we verlaten Crown Bay en beginnen onze terugreis
Woensdag 19 december: in de Antarctische Oceaan zwemt een rus.
Iedereen die dan al wakker is, en de voltallige pers en alle fotografen zijn erbij en verzamelen bewijsstukken voor dit exploot.
Na een korte nacht lossen we verder. Alles loopt op wieltjes: alleen raakt er een slee in de rupsbanden van een tractor die zijn bocht te kort neemt. Al het hout valt van de slee in één hoop op de grond terecht. Alain Hubert is er niet trots op: hij heeft immers met de tractor gereden. Na het eten spreekt hij ons aan: “Hé, met jullie erbij heb ik tenminste geleerd nu en dan mijn bek te houden; je bent inderdaad nooit te oud om te leren».
Tot grote vreugde van enkelen krijgen we worstenbroodjes. Alleen nog frieten en we zijn net thuis!
Deze regels schrijf ik rond mindernacht, wanneer het lossen bijna afgelopen is. Er moeten nog maar acht of negen sleden met vaten of betonblokken vervoerd worden. We vertrekken dus morgen: ik heb mijn weddenschap gewonnen. De kapitein wordt nog kleiner dan hij al was. Grootmoedig schenk is hem een pakje M&Ms. We hebben er immers massa’s van, maar ze zijn pas na twee weken tussen de voorraden opgedoken.
Vandaag zien we een Kaapse stormvogel, een soort die we nog niet in Crown Bay gezien hebben.
Dinsdag 18 december: ik haal mijn Antarctisch rijbewijs
Terwijl we wachten, hebben we de gelegenheid om weer eens met Alain Hubert te discussiëren. Vandaag heb ik mijn eerste ritten naar de opslagplaats gemaakt. Hoewel het heel dichtbij lijkt, doe ik er met mijn tractor twintig minuten over. De oever van de baai en de helling tot op het plateau zijn werkelijk heerlijk. De piste loopt tussen zachte sneeuwgolven en enkele prachtige kliffen die blauwig glanzen. Ik rijd ook met een rupsvoertuig: die dingen raken gewoon niet vooruit! Voor wie hier twintig uur mee onderweg is, moet het wel erg vermoeiend zijn. Maar ondertussen voeg ik een nieuw regeltje op mijn cv: chauffeur op Antarctica.
Er blijven nu nog minder containers over: twaalf containers, 800 petroleumvaten, Morgen moeten we nog 12 ton beton, enkele paletten hout en een werfkraan lossen. Naar mijn mening kunnen wij overmorgen gerust vertrekken. Maar de kapitein is pessimistischer en denkt dat het nog drie dagen kan duren. We besluiten te wedden... maar natuurlijk beslist hij zelf wanneer hij wegvaart en kan hij zo misschien wel vals spelen. Voor morgen kondigen ze een lichte depressie aan, met veel wind van 5 tot 6 beaufort, wat ook voor vertraging kan zorgen.
En in al die sleur ben ik nog de was helemaal vergeten. Het slaat echt tegen!
Ondertussen zien we dezelfde diersoorten: Weddellzeehond, Wilsons stormvogeltje, zuidpooljager, sneeuwstormvogel, Antarctische stormvogel.
Maandag 17 december: we worden hier efficiënt
Vanavond is het eerste konvooi vertrokken naar de basis op 210 km van hier.
Tot jullie genoegen zien we geen walvissen meer. Waarschijnlijk heeft de boot ze verjaagd. Er zijn ook geen andere zoogdieren buiten een heel zelfvoldane Weddellzeehond die lui op het ijs ligt. Die krijgt niet alleen een goeiemorgen toegewenst van de ploeg en de bemanning, maar ook van een Adéliepinguïn, die even nieuwsgierig is als zijn broertjes en zusjes. De Adéliepinguïn was de enige vogelsoort van het eigenlijke Antarctica die we in Crown Bay nog niet waarnamen; nu blijven er voor ons alleen nog de zeldzaamheden over.
Ornithologie in Crown Bay en ornithologie in Zeebrugge: het komt ongeveer op het zelfde neer. Boten, weinig inheemse soorten, maar veel zeldzame vogels... maar hier is het tenminste mooi!
Mooring!
We helpen mee uitladen: we zetten olievaten op sleden, we verplaatsen containers, klimmen er op om kabels los te maken, brengen kisten aan land... we voelen ons de dokwerkers van Antarctica! De sleden komen slechts met mondjesmaat aan en dus observeer ik een dwergvinvis die heel dicht bij de boot zwemt, een krabbeneter op het ijs en twee zuidpooljagers. ’s Avonds gebeurt wat de kapitein al vreesde. Terwijl ik op de brug met Alain Hubert een praatje maak over wetenschap, zuidpoolonderzoek, ijsberen... horen we hard getonk. De meertouwen spannen zich aan, het schip beweegt, de valreeptrap glijdt weg: zo dadelijk kunnen we niet meer op de boot! Twee touwen lossen al voor de motoren weer werken. Op dit ogenblik duikt de walvis dicht bij de boot op. Alain Hubert is weg naar het platform, is niet weergeraakt en moet daar in een container slapen. De kapitein vaart zijn boot iets verder in het ijs. ’s Nachts vindt het schip een goede ankerplaats dicht bij de eerste en de hele aanmeermanoeuvres beginnen weer. Morgen kunnen we weer verder lossen.
First dischargement
Na het ontbijt proberen we weer aan te leggen. Het duurt twee uren eer het schip in het ijs komt, zonder het al te veel te breken, om de trossen vast te maken. In anderhalf uur worden de gaten voor de meerpalen gegraven. Zodra de loopplank er ligt, gaan Alain Hubert en zijn ploeg aan boord. Na enkele instructies en de taakverdeling wordt met het uitladen begonnen. In het begin komt er niet veel buiten: enkele sleden, kleine stukken... Op het schip verhuizen containers en krijgen de tractoren hun rupsbanden. Ondertussen lezen en schrijven we en brengen we gegevens in onze databank. Bij de weinige vogels in de baai zijn er enkele, enkele sneeuwstormvogels, een Antarctische stormvogel, een grijze stormvogel en een Wilson-stormvogeltje dat vijf minuten rond de Papanin vliegt.
Breid Bay (arrival)
Vanmorgen draagt de zon een sluier en de wind blaast vrij krachtig. We varen nog altijd door open water. Er zijn niet meer vogels dan gisteren, maar toch wel een grijze stormvogel, zes noordse sterns, een zuidelijke reuzenstormvogel en een zuidpooljager, allemaal soorten die we sinds 9 of 10 december niet meer zagen. Rond de middag denken we land in zicht te hebben, maar het is een reusachtige ijsberg van 40 op 32 km groot (dus 1280 km³!). Rond 19.30 komen we op onze bestemming aan: Crown Bay, een kleine baai op één graad ten westen van Breid Bay. In de verte bewegen twee sneeuwscooters en vier kleine silhouetten. We maken radiocontact met Alain Hubert. Het schip maakt een kilometerlange breuk in de eerste ijsplaat om op ouder ijs veilig te kunnen ankeren. Twee kilometer verder, op het eind van de baai, is er een helling tot boven op de ijskliffen, waar we onze containers en ons materieel kunnen opslaan.
Again... Ice and water
Het wordt een overgangsdag. We doorkruisen het pakijs nu terug in oostelijke richting. IJsvrij water en dichtgevroren zones wisselen elkaar af. Kort na de middag vragen de militairen halt te houden om de containers te herschikken en de rupsbanden op de sneeuwtractoren te monteren, zodat ze morgen kunnen ontschepen. Rond 16 uur vaart het schip verder en een beetje later bevinden we ons weer in open water. In de loop van de dag houden we voor onze inventaris vier dierentellingen van elk één uur, maar we nemen per uur hoogstens tien Antarctische stormvogels waar. Net zoals gisteren komen er slechts vier vogelsoorten, waarbij geen enkele nieuwe, en heel weinig zoogdieren op onze lijst.
Breid Bay
Om 18 uur worden de trossen losgelaten en we vertrekken naar het noorden. Dan gaat het naar het oosten tot Breid Bay op 24° oosterlengte. Indien de zee ijsvrij is, kunnen we er overmorgen aankomen.
Five East Bay
Het duurt een tijd voor de Belgische militairen, de Noren en de Russische matrozen de 1800 vaten petroleum voor de basis uitgeladen hebben. In de baai zien we grote walvissen: we herkennen makkelijk zes zuidelijke zwarte dolfijnen bij het ijs. Er zwemmen drie jongen en drie flinke volwassenen. Ze zijn bijna tien meter lang en blijven enkele minuten rustig aan de rand van het ijs, waarna ze tien minuten lang duiken. Later bemerken we orka’s: ik haal mijn verrekijker op de commandobrug en tel in het totaal 22 orka’s waaronder vijf grote volwassene.
Five east unaccessible...
Het schip vaart langzaam door het pakijs en blijft vaak in de ijsmassa steken. De Papanin vaart dan enkele honderden meters achteruit en gaat zo één of twee maal tegen de hindernis aan. Er zijn bijna geen dieren meer en het gaat bovendien om steeds dezelfde soorten: krabbeneter, Antarctische stormvogel, sneeuwstormvogel, met soms een keizerspinguïn of een noordse stern. We laten de moed niet zakken, want we hopen op een orka of een zeeluipaard. We zien op het ijs in de zee een slapende rob: het is onze eerste Weddellzeehond. Er is ook een groepje keizerspinguïns en een grotere groep Adéliepinguïns.
De Papanin heeft tijd nodig om aan te meren. Enkele zeelui gaan in een bootje aan land en slaan stevige palen in het ijs. Het schip komt weer dichterbij en de trossen worden uitgegooid, maar het lukt maar na drie maal. Rond 22 uur ligt het schip aan wal. We krijgen een kleine uiteenzetting over de veiligheidsmaatregelen en over hoe we het materieel van de Noren aan land moeten brengen. Met een tiental maken we een wandeling van twee uur om de pinguïns van dichtbij te bekijken. Het is werkelijk grappig hoe de Adéliepinguïns komen worden aangewaggeld. Ze zijn nieuwsgierig maar niet overmoedig. Als we op de grond liggen, komen ze tot twee meter nabij. De vogels op de eerste rij krijgen een duwtje van de tweede rij, waartegen ze krachtig protesteren. De keizerspinguïns zijn rustiger en niet zo nieuwsgierig, maar we kunnen ook vanaf enkele meters toekijken zonder ze te storen. We nemen een kijkje bij een rob die er voor dood bij ligt, maar hij ademt en wordt uiteindelijk wakker. In het zijige schijnsel van de middernachtzon is dit uitstapje één van de gebeurtenissen van deze reis die ons het langst zal bijblijven.
Five east
In de vroege morgen maakt de mist het land onzichtbaar, maar rond negen uur schijnt de zon. Verre ijskliffen rijzen boven een bevroren zee. Van de kliffen kalven veel tafelijsbergen af, die langzaam naar het open water dobberen. Op het ijs rusten krabbeneters en soms enkele keizerspinguïns. Aan de voet van de reusachtige ijsbergen zitten groepen Antarctische stormvogels en sneeuwstormvogels . Rond de boot cirkelen Wilsonstormvogeltjes, grijze stormvogels en zuidelijke reuzenstormvogels. Maar geen walvissen in zicht: waarschijnlijk zijn ze in deze open zee en bij deze harde wind minder goed waarneembaar. We komen in een min of meer gesmolten ijsmassa, waarin het schip moeilijk vooruitkomt. Na een drietal vruchteloze pogingen en twee uur heen-en-weergeschuif beslist de kapitein een ietwat noordelijker doorgang te proberen. Vanavond geraken we niet meer tot bij ‘Five East’. Al dat gedoe in het ijs trekt vlug nieuwsgierige dieren aan en drie zuidpooljagers cirkelen rondom ons om te zien of er niets te verdienen valt.
Whales at the polar circle
In het holst van de ‘nacht’ verandert het schip zijn hoofdkoers en slaat af naar het zuidoosten in de richting van de Noorse basis ‘Five East’. De Noren hebben de Papanin ook bevracht om hun basis te bevoorraden. Rond vijf uur ’s morgens steken we de poolcirkel over. Meer dan twee weken zal de zon voor ons niet ondergaan. Het pakijs is opener en het schip zigzagt door open geulen. Er zijn weer meer dieren: we zien al vlug Antarctische dwergvinvissen, daarna uiteindelijk walvissen (17) en op de ijsschotsen enkele krabbeneters en een Rosszeehond.
Ice everywhere
Sinds gisteravond varen we voortdurend door het ‘pannenkoekenijs’. Hier liggen inderdaad eindeloos veel ‘ijspannekoeken’ tegen elkaar. Zonder enig probleem kruist het schip deze ijsschollen, tot hij vanmorgen plotseling stilvalt. Er is een drijfriem losgekomen of gebroken. Op dat ogenblik zie ik een Wilsonstormvogeltje het zog volgen. Zachtjesaan drijft de boot af en ontstaat een winderige open wateroppervlakte. De 35 Antarctische stormvogels die ons volgen, strijken op de oevers van dit oppervlak neer en krijgen het bezoek van drie nieuwsgierige kletsende Adéliepinguïns. Zij komen dichter bij de boot, maar ook niet al te dicht! Op een verre ijsberg zitten er nog honderd. Een onvolwassen keizerspinguïn komt ook dichterbij. Het is alsof alle pinguïns uit de buurt dit dikke beest komen bekijken dat tussen het ijs ligt te drijven. Het doet denken aan de woestijn in Marokko, waar, als je vijf minuten stilstaat, ook nieuwsgierigen uit het niets opduiken.De boot wordt hersteld en vertrekt langzaam in het pakijs. Het ijs wordt steeds compacter. De Papanin breekt met moeite door de grote schotsen en raakt slechts traag vooruit. De rest van de dat zien we, naast pinguïns, stormvogels en noordse sternen, alleen in de verte enkele krabbeneters op het ijs. De zon gaat pas rond 23.30 uur onder en komt dan onmiddellijk weer op. We zijn nog niet bij de poolcirkel, maar het is bijna zomerzonnewende.
Ice and water
Wij dachten dat we vanaf nu tot aan onze bestemming tussen het ijs zouden doorbrengen, maar rond middernacht komt ons schip weer in ijsvrij water en vanaf 3.30 uur kan ik weer tellen. De verrassing van de dag komt rond vijf uur, wanneer een zuidelijke butskop (die met de tandwalvissen verwant is) op ongeveer twintig meter van het schip opduikt. Het loont toch de moeite vroeg op te staan! Na een tijd is het pakijs er weer en neemt het aantal vogelsoorten af. Er zijn alleen nog Antarctische prions, twee stormvogels en nu en dan noordse sternen (inderdaad noords, die van bij ons!) die razendsnel naar het zuiden vliegen. De witkinstormvogel neemt rond negen uur afscheid. Veel zoogdieren zijn er ook niet: slechts krabbeneters in ijsgebieden en sinds vanmorgen geen enkele walvisachtige, wat veel minder is dan verwacht. Misschien zitten ze nog meer naar het zuiden?
First icebergs
53°10’ zuiderbreedte: korte nacht met een flinke deining, waardoor loszittende voorwerpen over de grond rollen. Eerste telling om 7.40 uur. Achter en rond onze boot zwermen vogels. Sommige gaan er nu en dan vandoor, maar ze keren telkens naar het scheepszog terug. Dit doen vooral vijf of zes roetkopalbatrossen en veel Antarctische prions. Er is ook een witkinstormvogel, die ons al twee dagen volgt en die er ’s avonds nog is: misschien slaagt hij erin het zuidelijkste record van zijn soort te breken. Na het ontbijt daagt de eerste ijsberg aan de horizon op. Dichter bij de boot verschijnt er nog één, waarop wel honderd Adéliepinguïns zitten. Daarna zien we onze eerste Antarctische stormvogels en onze eerste sneeuwstormvogel. Deze twee soorten komen uitsluitend in Antarctica voor en kondigen het drijfijs aan, dat wij rond 18.30 uur bereiken. Op de ijsschollen zitten er veel Antarctische stormvogels, sneeuwstormvogels en ook de eerste krabbeneters.
Arrival on the Ice Sea
Geen storm, maar wel de eerste sneeuw. Het wordt frisjes en we voelen dat we de Zuidelijke Oceaan naderen. Er zijn geen albatrossen meer te bespeuren, maar rond zeven uur verschijnt de eerste grote albatros van de dag. Nieuwe soorten brengen echter verandering: Zuid-Georgische alkstormvogeltjes en macaronipinguïns. Later zien we een zandloperdolfijn, nog een macaronipinguïn, een bultrug, roetkopalbatrossen, zwarte albatrossen en een nieuwe soort prion. We naderen duidelijk de convergentie. Tegen de blauwe achtergrond van een goedaardige oceaan vliegen prions, zwartbuikstormvogeltjes en nu en dan een albatros op enkele meters vóór onze neus. Morgen zijn ons de eerste ijsbergen beloofd.
Albatros festival
Al vroeg strijken twee grote albatrossen en één koningsalbatros in het scheepszog neer. Heel wat andere grote vogels en kleinere albatrossen (grijskop-, wenkbrauw- en roetkopalbatrossen) komen erbij. Naast witkinstormvogels en zwartbuikstormvogeltjes vergezellen honderden prions het schip. Prachtig! De kapitein meldt ons slecht nieuws: uit het zuiden komt een storm van tien beaufort op ons af. Morgen varen we de ‘furious fifties’ binnen en dat ziet er niet goed uit. Maar vanavond is het kalm: stilaan verlaten de grote albatrossen het schip.
Albatros
Tijdens een stormachtige nacht begint het schip in alle richtingen te bewegen. We gaan door onze eerste depressie. Naast veel meer donsstormvogels en enkele andere Pterodroma-soorten is er weinig leven. We bevinden ons nog in vrij voedselarme subtropische wateren. Iets na de middag komen we in de ‘roaring forties’. Hoewel het niet stormt, komt de deining op en zien we bij wonder onze eerste grote albatros. Omstreeks 17 uur krioelt het van de vogels: we varen door de subtropische convergentie, de zone waar twee zeemassa’s elkaar raken en waarin we veel nieuwe soorten waarnemen, zoals prions en de kleinste jager.
Cape town & Albatros
Hoewel de Paparin, het door de Poolstichting afgehuurde schip, rustiek en een beetje roestig is, ziet het er stevig uit. Rond 19 uur is iedereen aan boord en we zijn klaar om weg te varen. We moeten nog wel bijtanken, maar aan de kade ligt een grote gastanker in de weg. Dus kunnen we maar de dag erop – 1 december – vertrekken. De kapitein stevent in alle haast naar het zuiden. We zien onmiddellijk talrijke vogels en enkele oorrobben, maar het zijn kustbewoners: aalscholvers, jan-van-genten, kelpmeeuwen, sternen, enkele kleine en middelste jagers. Er zijn ook pinguïns en grauwe pijlstormvogels Onze eerste albatros is er ook al: een witkapalbatros. Dan bemerken we andere albatrossen, waaronder een Indische geelneusalbatros (een soort die we nog niet zagen), enkele zuidelijke reuzenstormvogels, Kuhlpijlstormvogels, langvleugelstormvogels en veel jagers. Dan komen we in een gebied waar Kaapse treilers heel actief vissen. Wanneer het daarna rustiger wordt, kunnen we de vorkstaartmeeuw en andere soorten aan ons lijstje toevoegen. Onze eerste walvisachtigen zien we ’s avonds: drie butskoppen.
Cape Town / South Africa

-----------------------------------------------------------------------------------
Blog réalisé par Jiska Verbouw et Marie-Odile Beudels (IRScNB-KBIN). Traductions Jan Claerbout, Jiska Verbouw (KBIN)et,pour l'anglais, Jean Devillers Terschuren (Collaboratrice IRScNB).
Mission réalisée par René-Marie Lafontaine (IRScNB) et Alain Debroyer (Collaborateur IRScNB).
Avec le soutien du Fonds Léopold III et de l'IPF.